097. Bijbelstudie over

DE ZONEN G’DS EN DE REUZEN

B’NEI HA’ELOHIM V’HANEFILIM

,ylpnhv ,yhvlah9ynb

 

Deel 2: De reuzen

 

 

De vorige keer hadden we het over een bijzonder merkwaardige tekst die wij aan het einde van de Parasha ty>arb B’reshit tegenkomen: “Toen de mensen zich op de aarde begonnen te vermenigvuldigen en hun dochters geboren werden, zagen de zonen G’ds, dat de dochters der mensen schoon waren, en zij namen zich daaruit vrouwen, wie zij maar verkozen. En de Eeuwige zeide: Mijn Geest zal niet altoos in de mens blijven, nu zij zich misgaan hebben; hij is vlees; zijn dagen zullen honderd twintig jaar zijn. De reuzen waren in die dagen op de aarde, en ook daarna, toen de zonen G’ds tot de dochters der mensen kwamen, en zij hun (kinderen) baarden; dit zijn de geweldigen uit de voortijd, mannen van naam. Toen de Eeuwige zag, dat de boosheid des mensen groot was op de aarde en al wat de overleggingen van zijn hart voortbrachten te allen tijde slechts boos was, berouwde het de Eeuwige, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem in zijn hart. En de Eeuwige zeide: Ik zal de mensen, die Ik geschapen heb, van de aardbodem uitroeien, de mensen zowel als het vee en het kruipend gedierte en het gevogelte des hemels, want het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt heb. Maar Noach vond genade in de ogen van de Eeuwige.” (ty>arb B’reshit [Genesis] 6:1-8). Deze acht verzen van Genesis 6 riepen de vorige keer bij ons allen veel vragen op. In de loop van de afgelopen tweeduizend jaar is dit tekstgedeelte al op veel verschillende wijzen uitgelegd. Voor iedere uitleg zijn argumenten voor en tegen te bedenken. Vanaf vers 9 begint de Parasha xvn Noach, waarin de zondvloed uitvoerig wordt beschreven. De aanleiding hiervoor vinden wij in vers 5, want door de invloed van de afvallige zonen G’ds en de wezens die zij voortbrachten, de Nefilim, was de slechtheid van de mensen op de aarde en hun g’ddeloosheid dermate toegenomen, en de begeerte van hun hart ging zo naar het kwade uit dat de Eeuwige om dié reden besloot dat er een zondvloed moest komen. Het Hebreeuwse woord Nefilim wordt in sommige Bijbelvertalingen onvertaald gelaten maar meestal weergegeven als reuzen, giganten of titanen. Het verband tussen het huwelijk van de zonen G’ds met de dochters van de mensen en de aanwezigheid van reuzen in vers 4 komt vooral in de Willibrordvertaling duidelijk naar voren: “In die dagen, en ook nog daarna, leefden er reuzen op de aarde, doordat de zonen van G’d gemeenschap hadden gehad met de dochters van de mensen en zij hun zonen hadden gebaard. Zij waren de befaamde geweldenaars van de oude tijd!” en in de Groot Nieuws Bijbel: “Er leefden toen en ook later nog reuzen op aarde. Het waren de kinderen die de godenzonen bij de dochters van de mensen gekregen hadden. Zij staan als de beroemde helden van de oudheid bekend.” De reuzen kwamen dus uit deze verboden verbintenis voort, maar hoe komt het dat zij reuzen waren en geen gewone mensen? Wat was er eigenlijk mis met de huwelijken tussen de zonen G’ds en de dochters der mensen? Wat was hun zonde precies? En kunnen we van daaruit iets zeggen over hun identiteit? Op de identiteit van de zonen G’ds ben ik al in het eerste deel van deze studie uitvoerig ingegaan en wij kwamen tot de conclusie dat de B’nei haElohim geen mensen waren, maar bovennatuurlijke hemelwezens, maar in dit tweede deel zullen we het hebben over de identiteit van de Nefilim.

 

De ,ylpn Nefilim [Reuzen]

 

Tegenstanders van het standpunt dat de B’nei haElohim [zonen G’ds], en dus ook de Nefilim, van bovennatuurlijke afkomst zijn, wijzen deze theorie af omdat zij volgens hen haar oorsprong zou vinden in de occulte wereld van de Babylonische, Griekse en Romeinse mythologie en mystieke Joodse geschriften. Zij gaan er van uit dat de zonen G’ds gewone rechtvaardige, g’dvrezende mannen van vlees en bloed geweest zouden zijn die door hun huwelijken met de g’ddeloze vrouwen van G’d afvallig waren geworden. Van reuzen zou er volgens hen helemaal geen sprake zijn. Sterker nog! Omdat het Hebreeuwse woord ,ylpn Nefilim niet alleen ‘reuzen’ maar ook ‘gevallenen’ kan betekenen, van het werkwoord lpn nafal [vallen], betrekken de voorstanders van deze visie dit woord helemaal niet op de reuzen, maar op de afvallige zonen G’ds, en ontkennen daarmee het bestaan van twee aparte groepen. De Nefilim waren volgens hen derhalve niet de kinderen die uit de verboden huwelijken voortkwamen, maar de afvallige zonen G’ds zelf, en geen hemelse wezens maar gewone mensen. Dat deze bewering nergens op slaat en geen hout snijdt zal al gauw blijken als wij de Joodse manier van Schriftonderzoek hanteren door teksten met teksten te vergelijken. Weet u, het is heel belangrijk om voor een Beit Midrash zoveel mogelijk relevante Schriftplaatsen op te zoeken en te bestuderen als je wilt weten wat de Eeuwige over dit soort dingen te zeggen heeft. Zo staan er in de apocriefe ofwel deuterokanonieke Bijbelboeken een aantal teksten die rechtstreeks naar Genesis 6 verwijzen en waaruit blijkt dat de Nefilim, de befaamde geweldenaars uit de voortijd, in het Hebreeuws ,yrvbg Giborim genaamd, daadwerkelijk reuzen waren: “Israël, hoe groot is het domein van uw G’d, hoe uitgestrekt het gebied van Zijn macht! Groot is het en zonder einde, hoog is het en onmetelijk. Daar werden de reuzen geboren, die befaamde mannen uit de voortijd, groot van gestalte, bedreven in de strijd. Maar hen heeft G’d niet uitgekozen, de weg naar kennis werd hun niet gewezen. Zij gingen allemaal dood door een tekort aan inzicht en verstand.” (!vrb Baruch 3:24-28, Willibrordvertaling) en: “Israël, hoe groot is G’ds woning, hoe uitgestrekt het gebied waarover G’d heerst: groot en oneindig, groots en onmeetbaar! Daar zijn ooit de giganten geboren, de befaamde helden uit het verre verleden, groot van gestalte, bedreven in de strijd. Maar hen heeft G’d niet uitgekozen, aan hen heeft Hij de weg naar de kennis niet onthuld. Door gebrek aan inzicht gingen zij ten onder, hun dwaze gedrag bracht hen ten val.” (Nieuwe Bijbelvertaling). “Hij was de reuzen van de oude tijd niet genadig, toen zij met heel hun macht opstandig werden.” (aryc tmkvx Choch’mat Sira [Wijsheid van Sirach] 16:7, Willibrord-vertaling) en: “Hij vergaf de giganten uit de voortijd niet, die zich, machtig als ze waren, van Hem hadden afgewend.” (Nieuwe Bijbelvertaling). “Ook in de oude tijd al, toen de trotse reuzen omkwamen, zocht de hoop van de wereld haar toevlucht op een vlot en liet, door Uw hand bestuurd, aan de wereld de kiem na van een nageslacht.” (hml> tmkvx Choch’mat Sh’lomo [Wijsheid van Salomo] 14:6, Willibrordvertaling) en tenslotte: “Zo is in het begin, terwijl de overmoedige giganten ten onder gingen, de hoop voor de wereld op een vlot ontkomen en heeft hij, door Uw hand geleid, nieuw leven voor de toekomst veiliggesteld.” (Nieuwe Bijbelvertaling). Wij lezen hier dat de reuzen allen omkwamen, terwijl de hoop voor de wereld zijn toevlucht op een vlot zocht en daarop ontkomen is, waarmee de ark bedoeld moet zijn. In Genesis 6:9 staat: Noach was een rechtschapen man; hij was in zijn tijd de enige die een voorbeeldig leven leidde, in nauwe verbondenheid met G’d.” Hieruit kunnen wij constateren dat Noach en de zijnen genetisch 'onbesmet' waren, niet bevuild met de genetische manipulatie door de vermenging van de zonen G’ds met de dochters der mensen en daarom kon de Eeuwige met Noach en zijn gezin de aarde opnieuw bevolken. In elk geval vonden wij in het eerste deel van deze studie voldoende aanwijzingen om tot de conclusie te komen dat het in B’reshit [Genesis] 6:1-8 over bovennatuurlijke wezens gaat, die op grote schaal vrouwen uit de dochters der mensen namen en daarmee grenzen overschreden hadden die de Eeuwige gesteld had. Zij dachten waarschijnlijk dat er uit deze onnatuurlijke verbintenissen een soort halfgoden zouden voortkomen, maar zij kwamen daarbij bedrogen uit. In plaats van een superras was het resultaat van deze huwelijken de geboorte van reuzen. Dat was nooit G’ds bedoeling geweest en daarom kunnen alleen deze perverse verbintenissen van niet-menselijke hemelwezens met menselijke vrouwen een dergelijk zwaar oordeel als de allesvernietigende zondvloed verklaren en rechtvaardigen. De Nefilim worden echter opnieuw genoemd in Numeri 13:33, en sommigen zullen zich afvragen hoe dat kan als ze allen omgekomen zouden zijn in de vloed. Genesis 6:4 zegt echter: In die dagen, en ook nog daarna, leefden er reuzen op de aarde, doordat de zonen van G’d gemeenschap hadden gehad met de dochters van de mensen en zij hun zonen hadden gebaard.(Tanach in de nieuwe vertaling). De Bijbel vertelt dat er zowel vóór als ná de zondvloed, reuzen op aarde waren. De aanduiding “...en ook daarna” verwijst volgens de meeste Bijbelgeleerden naar de tijd van na de zondvloed, wat vooral in de Groot Nieuws Bijbel bijzonder duidelijk naar voren komt: “Er leefden toen en ook later nog reuzen op aarde!”  Dat was dus een tweede manifestatie van de afvallige zonen G’ds, maar nu klaarblijkelijk kleiner in aantal en meer plaatselijk omdat ze grotendeels tot Kanaän beperkt waren, en feitelijk tot de 'volken van Kanaän' gerekend moeten worden. Volgens sommige Bijbelverklaringen komt dat omdat de B’nei Elohim, die immers geestelijke wezens waren en dus niet gehinderd werden door de zondvloed die wel hun aardse nakomelingen vernietigde, na de vloed hun oneerbare praktijken weer oppakten en opnieuw reusachtige bastaards bij menselijke vrouwen verwekten. G’ds’s belofte nooit meer een watervloed over de aarde te brengen had volgens deze uitleg namelijk de Satan gemotiveerd om opnieuw afvallige zonen G’ds naar de aarde te sturen en gemeenschap te hebben met de dochters der mensen. Uit deze gemeenschap kwamen net als vóór de zondvloed opnieuw reuzen voort, die in vers 4 in het Hebreeuws ‘Nefilim’ genoemd worden. Deze werden vervolgens door Satan in verschillende stammen verspreid door het hele beloofde land om op deze wijze te voorkomen dat de Israëlieten dit later in bezit zouden nemen, en als gevolg daarvan eveneens te voorkomen dat de Mashiach [Verlosser] daar geboren zou worden. Het land dat de Eeuwige aan Avraham [Abraham], Yitz’chaq [Isaak] en Ya’aqov [Jakob] beloofd had, wemelde van de reuzen. Toen de Israëlieten uiteindelijk na hun uittocht uit Egypte het beloofde land verkenden kwamen ze tot hun schrik deze reuzen tegen! Geheel onder de indruk van wat zij daar hebben meegemaakt vertelden de twaalf verspieders die uitgezonden werden om het land Kanaän te verspieden, na hun terugkomst wat zij gezien hadden. Ik citeer uit de Tanach in de nieuwe vertaling: “Het land dat wij op onze verkenningstocht doorkruist hebben, zeiden ze, verslindt zijn inwoners, en alle mensen die we er gezien hebben waren uitzonderlijk lang. We hebben daar zelfs reuzen gezien, de Anaqim [Enakieten]. Vergeleken bij dat volk van reuzen voelden wij ons maar nietige sprinkhanen, en veel meer zullen we in hun ogen ook niet geweest zijn!” (rbdmb B’mid’bar [Numeri] 13:32-33). In de bekende NBG-vertaling staat het als volgt: “Het land dat wij zijn doorgetrokken om het te verspieden, is een land dat zijn inwoners verslindt, en alle mensen die wij daar zagen, waren mannen van grote lengte. Ook zagen wij daar de reuzen, Anaqim [Enakieten], die tot de reuzen behoren, en wij waren als sprinkhanen in onze eigen ogen en ook in hun ogen!”

 

De ,yqni Anaqim [Enakieten]

 

Uit vers 32 kunnen wij opmaken dat er door de verspieders nadrukkelijk op gewezen wordt dat de inwoners van Kanaän een buitengewoon grote gestalte hadden en in vers 33 gebruiken zij zelfs tot twee keer aan toe het woord ‘reuzen’. In de Hebreeuwse grondtekst staat hier hetzelfde woord, dat ook in Genesis 6:4 wordt gebruikt: ,ylpn Nefilim! Dat is niet zo vreemd, want ook in de hedendaagse woordenboeken modern Ivrit staat het woord ,ylpn Nefilim voor ‘reuzen’. ,ylpn Nefilim is het Hebreeuwse meervoud van lypn Nafil. Hebreeuwse uitgangen met ‘-im‘ zijn mannelijke meervoudvormen. Dat wil dus zeggen dat de reuzen in de Tora altijd van mannelijk geslacht waren en er dus geen sprake kan zijn van reuzinnen. De reuzen werden derhalve altijd als normale baby’s geboren uit normale vrouwen en begonnen daarna pas uit te groeien tot uitzonderlijke lengtes. Het is overigens heel opmerkelijk, dat ook het Hebreeuwse woord voor ‘misgeboorte, mislukking’, lpn nefel, dezelfde woordstam bezit, waaruit wij des te meer kunnen afleiden, dat de Nefilim die in Genesis 6:4 genoemd worden beslist geen normale mensen geweest kunnen zijn zoals door sommigen wordt beweerd. Daarom geven zowel de Griekse vertaling, de Septuaginta, alsook de Latijnse vertaling, de Vulgata, het woord ‘Nefilim’ in deze tekst weer met ‘giganten’ ofwel ‘reuzen’, en ook in de meeste hedendaagse Joodse en christelijke vertalingen staat het op deze wijze vertaald. Numeri 13:33 kunnen wij zien als een sleuteltekst die een schat aan informatie aanreikt over de identiteit en het doel van de reuzen. In deze tekst wordt het woord Nefilim namelijk toegepast op de Anaqim, de Enakieten. In het Hebreeuws staat er letterlijk qni ynb  b’nei Anaq [de zonen van Enak]:

 

,ylpnh9]m qni ynb ,ylylpnh9ta vnyar ,>v

.,hynyib vnyyh ]kv ,ybgxk vnynyib yhnv

V’sham ra'inu et haNefilim b’nei Anaq min haNefilim

van’hi v'eineinu kachagavim v’chen hayinu b'eineihem.

 

De Anaqim [Enakieten] worden hier qni ynb  b’nei Anaq [de zonen van Enak] genoemd. Maar wie was deze Anaq [Enak]? Volgens i>vhy Yehoshua [Jozua] 21:11 was Anaq [Enak] de zoon van Ar’ba [Arba], want daar lezen wij: Ar’ba [Arba] was de vader van Anaq [Enak]; Qir’yat Ar’ba [Kirjat-Arba] is het huidige Chev’ron [Hebron].” In hoofdstuk 15 vers 13 staat dit eveneens: Yehoshua [Jozua] wees, zoals de Eeuwige hem had opgedragen, een deel van Yehuda’s [Juda’s] grondgebied toe aan Kalev [Kaleb], de zoon van Yefune [Jefunne]: hij kreeg Chev’ron [Hebron], dat toen nog Qir’yat Ar’ba [Kirjat-Arba] heette, naar Ar’ba [Arba], de vader van Anaq [Enak].” De oorspronkelijke naam van de stad Hebron was dus gebaseerd op de naam van Ar’ba [Arba], en nu, duizenden jaren later, is er een Israëlische nederzetting ten oosten van Hebron, en dicht bij deze stad gelegen, met de oude naam ibra tyyrq Qir’yat Ar’ba. Deze Ar’ba [Arba] was niet alleen de stamvader van de reuzen, maar zelfs de grootste van allemaal, zoals in i>vhy Yehoshua [Jozua] 14:15 staat vermeld: Chev’ron [Hebron] heette destijds Qir’yat Ar’ba [Kirjat-Arba], naar Ar’ba [Arba], de grootste reus onder de Anaqim [Enakieten].” Eigenlijk staat hier letterlijk: “de grootste reus onder de reuzen”, want het Hebreeuwse woord ,yqni Anaqim betekent namelijk ‘reuzen’. Dat is het mannelijke meervoud van qni Anaq [reus]. U zult nu wel denken: waar heeft hij het over? Het Hebreeuwse woord voor ‘reuzen’ is toch ,ylpn Nefilim? Dat klopt inderdaad, maar in de Bijbel komen we de reuzen onder diverse benamingen tegen. Het woord Nefilim heb ik echter slechts op twee Schriftplaatsen gevonden, namelijk Genesis 6:4 en Numeri 13:33. Na Numeri 13:33 komen wij het woord Nefilim in de Bijbel nergens meer tegen. De reuzen die we vanaf dan tegenkomen zijn de ,yqni Anaqim [Enakieten], de ,ymya Emim [Emieten], de ,yapr Refa’im [Refaïeten], de ,ymzmz Zamzumim [Zamzumiten] en andere volkeren. Allen deelden de kenmerken van reusachtig en sterk te zijn. Wij zullen deze reuzenvolkeren even nader onder de loep nemen, om te beginnen met de Anaqim [Enakieten], waar we al mee bezig waren. Wat weten wij over deze Anaqim? Laten we weer een opsomming maken van de teksten waarin zij ter sprake komen: “Ze trokken door de Negev en kwamen daarna in de buurt van Chev’ron [Hebron], waar de Anaqim [Enakieten] Achiman, Sheshai en Talmai woonden.” (rbdmb B’mid’bar [Numeri] 13:22). “Wij zijn in het land geweest waar u ons naartoe hebt gestuurd, vertelden ze aan Moshe [Mozes]. Werkelijk, het vloeit over van melk en honing, en deze vruchten groeien er. Maar daar staat tegenover dat de bevolking van dat land sterk is. De steden zijn versterkt en heel groot, en ook hebben we er Anaqim [Enakieten] gezien!” (rbdmb B’mid’bar [Numeri] 13:25-28). “Het land dat wij op onze verkenningstocht doorkruist hebben, zeiden ze, verslindt zijn inwoners, en alle mensen die we er gezien hebben waren uitzonderlijk lang. We hebben daar zelfs reuzen gezien, de Anaqim [Enakieten]. Vergeleken bij dat volk van reuzen voelden wij ons maar nietige sprinkhanen, en veel meer zullen we in hun ogen ook niet geweest zijn!” (rbdmb B’mid’bar [Numeri] 13:32-33). “Luister, Israël! U staat op het punt de Jordaan over te steken om het land van die andere volken binnen te gaan en het in bezit te nemen. Zij zijn groter en machtiger dan u en hebben grote steden met hemelhoge versterkingen. Onder hen is ook het grote volk van de Anaqim [Enakieten], de beruchte reuzen, tegen wie volgens de verhalen niemand opgewassen is. Laat vandaag echter goed tot u doordringen dat het de Eeuwige, uw G’d, is die u voorgaat als een verterend vuur. Hij zal hun ondergang bewerken en hen op de knieën dwingen. Zo zult u hen in korte tijd kunnen uitroeien, zoals de Eeuwige u heeft beloofd!” (,yrbd D’varim [Deutero-nomium] 9:1-3). Yehoshua [Jozua] roeide in die tijd ook de Anaqim [Enakieten] uit die in de bergen van Yehuda [Juda]  woonden, in Chev’ron [Hebron], Devir [Debir] en Anav [Anab], en in de bergen van Yis’ra‘el [Israël]. Hij doodde hen en liet hun steden aan de Eeuwige. Er bleven in het land van Israël geen Anaqim [Enakieten] meer over, behalve in ‘Aza [Gaza], Gat en Ashdod [Asdod].” (i>vhy Yehoshua [Jozua] 11:21-22). “Kaleb verdreef er de drie zonen van Anaq [Enak]: Sheshai, Achiman en Talmai!” (i>vhy Yehoshua [Jozua] 15:14) en: Chev’ron [Hebron] werd, overeenkomstig de woorden van Moshe [Mozes], toegewezen aan Kalev [Kaleb], die de drie zonen van Anaq [Enak] uit de stad verdreef.” (,ytp> Shof’tim [Richteren] 1:20).

 

De ,ymya Emim [Emieten]

 

De tweede groep reuzen die we in de Bijbel tegen komen, zijn de ,ymya Emim [Emieten], die reeds in ty>arb B’reshit [Genesis] 14:5-6 genoemd worden: “In het veertiende jaar rukte Kedorla’omer op, samen met de koningen die zijn bondgenoten waren, en zij versloegen de Refa’im [Refaïeten] in Ash’terot-Qar’nayim [Asterot-Karnaïm], de Zuzim [Zuzieten] in Ham, de Emim [Emieten] in Shave-Qir’yatayim [Sawe-Kirjataïm] en de Chorim [Chorieten] in het bergland waar zij woonden, het Seïrgebergte; ze rukten op tot aan El-Paran, aan de rand van de woestijn.” Dat deze ,ymya Emim [Emieten] evenals de Anaqim [Enakieten] reuzen waren, staat nadrukkelijk in ,yrbd D’varim [Deuteronomium] 2:10-11 te lezen: “Vroeger woonden daar de Emim [Emieten], een groot en machtig volk van reuzen zoals de Anaqim [Enakieten]. Evenals de Anaqim [Enakieten] worden zij tot de Refa’im [Refaïeten] gerekend; in Moav [Moab] worden ze Emim [Emieten] genoemd.” Zowel de Anaqim [Enakieten] alsook de Emim [Emieten]  worden in deze tekst tot de Refa’im [Refaïeten] gerekend, en dat brengt ons meteen tot de derde groep reuzen, die wij hier zullen onderzoeken.

 

De ,yapr Refa’im [Refaïeten]

 

Op de Golan Hoogten, ongeveer 80 km vanaf Damascus en zo’n 16 km ten oosten van de oostelijke kust van het Meer van Tiberias, is een oeroud megalithisch monument in de vorm van een steenkring te vinden dat opvallend veel weg heeft van Stonehenge: ,yapr lglg Gilgal Refa’im ofwel in het Nederlands: ‘Cirkel van de Refaïeten’. Dit spiraalvormige bouwwerk is net als Stonehenge gedateerd op ongeveer 5000 jaar oud en telt meer dan 42.000 basaltblokken die in cirkels zijn gerangschikt. In de omgeving van het monument zijn tot op heden zo'n 8.500 dolmens ontdekt, dit zijn hunebedachtige steenhopen. De Gilgal Refa’im is voor zover ik weet het enige megalithische monument van zijn soort dat tot dusverre in het hele Midden Oosten is ontdekt. In verband met de naam wordt Gilgal Refa’im als vanzelfsprekend geassocieerd met reuzen omdat volgens de TeNach het oervolk van Bashan, de Refaïeten, een volk van reuzen was. Men gaat er daarom van uit, dat de Gilgal Refa’im door reuzen zou zijn gebouwd en sommigen zijn zelfs van mening dat Og, de koning van Bashan, die zelf ook een Rafaïet was, daar werd begraven. ,yapr Refa’im betekent letterlijk reuzen. Dat is het mannelijke meervoud van hpr Rafa [reus]. De reuzen stonden natuurlijk bekend om hun sterkte en kracht en daarom is het rondom verbijsterend om te zien dat precies hetzelfde woord hpr Rafa in het moderne Hebreeuws de betekenis heeft van ‘zwak worden’ ofwel ‘verzwakken, want de reuzen zijn destijds door de Israëlieten verslagen en uitgeroeid. Ook de meervoudsvorm ,yapr Refa’im wordt in het woordenboek Hebreeuws-Nederlands, dat ik in mijn boekenkast heb staan, niet meer vertaald met ‘reuzen’, maar met ‘spoken’. Interessant! Ergens klopt het natuurlijk wel, want de reuzen zijn er niet meer, maar hun kwaadaardige geest lijkt daar in die hele regio nog steeds rond te hangen... In de Bijbel wordt ,yapr Refa’im soms letterlijk vertaald met ‘reuzen’, maar vaker vinden we de vertaling van de Refaïeten. De woorden ‘Refaïm’ (in de Nederlandse spelling) en ‘Refaïeten’ komen we ook tegen als aanduiding voor het grondgebied van de reuzen, zoals bijvoorbeeld: ‘De laagte van Refaïm’, ‘het dal Refaïm’ en ‘het dal der Refaïeten’. Wij zoeken de teksten even op: “Vervolgens liep de grens via het Ben-Hinnomdal om het zuiden van de heuvelrug waarop Jebus lag (het huidige Jeruzalem). Daarna ging hij omhoog naar de top van de berg die westelijk van het Hinnomdal en noordelijk van de vallei van Refaïm ligt.” [i>vhy Yehoshua [Jozua] 15:8, Nieuwe Bijbelvertaling). “Dan loopt de grens naar beneden tot aan de rand van de berg die tegenover het Dal van de zoon van Hinnom ligt, dat zich ten noorden van het dal van de Refaïeten bevindt.” (i>vhy Yehoshua [Jozua] 18:16, Herziene Statenvertaling). “De Filistijnen kwamen en verspreidden zich in het dal Refaïm.” (b lavm> Sh’mu’el bet [2 Samuël] 5:18, Herziene Statenvertaling). De Filistijnen rukten nog een keer op naar de Refaïmvlakte en trokken daar rond.” (b lavm> Sh’mu’el bet [2 Samuël] 5:22, Willibrordvertaling). “In de vallei van Refaïm waren toen Filistijnse troepen gelegerd.” (b lavm> Sh’mu’el bet [2 Samuël] 23:13, Nieuwe Bijbelvertaling). “Een andere keer trokken drie van de dertig aanvoerders naar Davids vesting bij de grot van Adullam, terwijl het leger van de Filistijnen gelegerd was in het dal van de Refaïeten.” (a ,ymyh yrbd Div’rei haYamim alef [1 Kronieken] 11:15, Willibrordvertaling). “Toen de Filistijnen kwamen, zo spreidden zij zich uit in de laagte van Refaïm.” (a ,ymyh yrbd Div’rei haYamim alef [1 Kronieken] 14:9, Statenvertaling Jongbloed Editie). “Het is of men de rijpe oogst binnenhaalt en met de hand de aren afsnijdt, het is als aren lezen in het dal van Refaïm.” [vhyi>y Yeshayahu [Jesaja] 17:5, Nieuwe Bijbelvertaling). Zoals ik in verband met de Gilgal Refa’im reeds heb opgemerkt, was ook Koning Og van Bashan, een van de Amoritische koningen, een Refaïet. Gezien de enorme afmetingen van zijn rustbank moet schat men dat Og zelf ongeveer 4 meter lang moet zijn geweest, hetgeen wij kunnen afleiden uit de volgende tekst: “Alleen Og, de koning van Bashan, was overgebleven als laatste der Refa’im [Refaïeten]; zie, zijn rustbank was een rustbank van ijzer; zij staat immers in Rabba der Ammonieten. Negen el is zij lang en vier el breed naar de gewone el.” (,yrbd D’varim [Deuteronomium] 3:11, NBG) en: “Koning Og van Bashan was de laatste van de Refa’im [Refaïeten]. Hij had een sarcofaag van basalt. Deze was vier en een halve meter lang en twee meter breed; hij bevindt zich nog in Raba, de hoofdstad van Amon.” (Groot Nieuws Bijbel). Deze laatste reuzenkoning werd door Moshe [Mozes] op bevel van de Eeuwige verslagen en zijn land aan de Israëlieten als erfdeel gegeven gelijk geschreven staat: “De rest van Gil’ad en heel Bashan, het rijk van Og, het hele gebied van Argov, heb ik aan de helft van de stam M’nashe [Manasse] toegewezen. Heel Bashan wordt ook wel het land van de Refa’im [Refaïeten] genoemd.” (,yrbd D’varim [Deuteronomium] 3:13, NBG-vertaling). “De Israëlieten hebben eerst het gebied ten oosten van de Jordaan in bezit genomen, van het dal van de Arnon tot aan de Chermon met de hele oostelijke Jordaanvallei. Zij versloegen er twee koningen: De een was koning Sichon van de Amorieten, die in Chesh’bon zijn paleis had... de ander was koning Og van Bashan. Hij was een van de laatste Refa’im [Refaïeten] en had paleizen in Ash’tarot en Edrei.” (i>vhy Yehoshua [Jozua] 12:1-2a en 4, Groot Nieuws Bijbel). Tot zover de Bijbelse verslagen over het reuzengeslacht der Refa’im [Refaïeten].

 

De ,ymzmz Zamzumim [Zamzummieten]

 

De laatste benaming voor de reuzen, die wij in deze Bijbelstudie willen behandelen is het woord ,ymzmz Zamzumim [Zamzummieten]. Eigenlijk is het geen apart reuzenvolk zoals de Anaqim [Enakieten] en de Emim [Emieten], maar slechts een andere naam voor de Refa’im [Refaïeten], hetgeen in ,yrbd D’varim [Deuteronomium] 2:20-21 nadrukkelijk staat vermeld in verband met het land dat de Eeuwige aan de zonen van Lot tot een bezitting heeft gegeven nadat Adonai de daar woonachtige reuzen had verdelgd. Wij lezen deze tekst in de nieuwe vertaling: “Ook dat wordt beschouwd als land van de Refa’im [Refaïeten], die daar vroeger woonden; in Amon [Ammon] worden ze Zamzumim [Zamzummieten] genoemd. Het was een groot en machtig volk van reuzen zoals de Anaqim [Enakieten], maar de Eeuwige heeft hen uitgeroeid, zodat de Amonim [Ammonnieten] zich meester konden maken van hun land en zich daar in hun plaats konden vestigen.”

 

De Kanaänieten

 

In ,yrbd D’varim [Deuteronomium] 1:28 riepen de Israëlieten na terugkeer van de verkenners nadat ze gehoord hadden wat zij daar allemaal zagen: “Waar gaan we eigenlijk heen? De moed is ons in de schoenen gezonken toen onze verkenners vertelden dat de mensen daar sterker en langer zijn dan wij, dat ze in grote steden met hemelhoge versterkingen wonen en dat er zelfs reuzen leven!” (nieuwe vertaling). De Kanaänieten waren dus grotendeels reuzen, bastaards die voortgekomen zijn uit de verboden verbintenis tussen de afvallige B’nei Elohim en de dochters der mensen en moesten daarom uitgeroeid worden door de Israëlieten toen ze het beloofde land binnentrokken. Bij monde van Moshe [Mozes] kregen ze daarvoor zelfs de uitdrukkelijke opdracht van Adonai: “Maar in de steden van de volken die de Eeuwige uw G’d u in eigendom geeft, mag u niemand in leven laten. U moet Chethieten, Amorieten, Kanaänieten, Perizieten, Chiwieten en Jevusieten aan de vernietiging wijden, zoals de Eeuwige uw G’d u bevolen heeft. Anders brengen zij u ertoe mee te doen met al de gruwelen die zij voor hun goden hebben bedreven en te zondigen tegen de Eeuwige uw G’d!" (,yrbd D’varim [Deuteronomium]  20:16). Met het oog op de komst van de Verlosser kon de Eeuwige geen vermenging tussen de B’nei Elohim en de dochters der mensen toestaan waaruit deze reusachtige bastaardvolken zijn ontstaan. Daarom zegt Hij in ,yrbd D’varim [Deuteronomium] 23:2 (in sommige vertalingen 3) nadrukkelijk: “Kinderen uit verboden huwelijken zijn uitgesloten van g’dsdienstige bijeenkomsten. Ook hun nakomelingen, zelfs die van het tiende geslacht, zijn uitgesloten!” (Groot Nieuws Bijbel). Dit gebod geldt natuurlijk ook voor buitenechtelijke relaties waaruit zogenaamde ‘mamzers’ voortkomen, maar op de eerste plaats natuurlijk voor verboden relaties tussen hemelse wezens en mensen, waaruit bovennatuurlijke gedrochten voortkomen. De Eeuwige heeft een gruwel aan deze vermenging en heeft in de TeNaCH keer op keer Zijn volk gebruikt om te strijden tegen deze bastaards. Wat naar voren komt en dat is toch wel belangrijk: de strijd tegen deze reuzen was noodzakelijk in G’ds Heilsplan. Want voor de komst van de Mashiach moesten al deze gedrochten uitgeroeid zijn, zodat Zijn uitverkoren volk niet toch nog ergens bloedverwantschap zou hebben met een afvallig hemelwezen. Om dit koste wat het kost te voorkomen was het voor de Israëlieten noodzakelijk om de reuzenvolken met de kiem uit te roeien! U zult zich waarschijnlijk net als ik wel eens afgevraagd hebben waarom er bij de vernietiging van deze volken ook vrouwen en baby's inbegrepen waren. Wel, gezien het feit dat er slechts mannelijke reuzen in de Bijbel voorkwamen moesten hun moeders dus gewone menselijke vrouwen zijn en zodoende werden de reuzen ook niet als reuzen geboren, maar als gewone baby’s, die pas op latere leeftijd uitgroeiden tot gigantische afmetingen. De Israëlieten konden dus niet weten of de Kanaänitische vrouwen zwanger waren van reuzen of niet en of de pas geboren baby’s zich later tot reuzen zouden ontwikkelen of niet. Daarom mochten zij bij de zuivering van het land geen enkel risico nemen. Israël schoot er echter in tekort om alle reuzen te vernietigen, en we kunnen op geen enkele manier te weten komen hoeveel van hen het hebben overleefd en naar andere delen van de wereld zijn ontsnapt. Veel van de folklore uit de menselijke geschiedenis, waarbij reuzen betrokken zijn, zou daardoor verklaard kunnen worden, want de reuzen duiken op in de verhalen van alle oude volken op aarde. Wanneer we al deze feiten in ogenschouw nemen dan krijgen sommige gruwelijke Bijbelse verhalen voor ons een nieuwe betekenis. Het verbod voor de Israëlieten om zich door het huwelijk te verbinden met de Kanaänitische volken, was daarom niet alleen om Israël als G’ds volk genetisch zuiver te houden, maar ook om te voorkomen dat opnieuw een vermenging zou plaats vinden met het nageslacht van de afvallige godenzonen. Maar zoals bekend volbrachten de Israëlieten hun opdracht tot uitroeien niet helemaal en gedoogden sommigen van deze volkeren met alle gevolgen van dien.

 

Filistijnse reuzen

 

Daarom wordt er ook nog in latere tijden na de verovering van Kanaän over reuzen verhaald. De Bijbel noemt vele overgeblevenen van de Refa’im [Refaïeten] die aan de kant van de Filistijnen tegen Israël streden. De bekendste van allemaal is natuurlijk de reus Goliat. Over hem lezen wij het volgende in de NBG-vertaling: “Toen trad een kampvechter uit het leger der Filistijnen naar voren. Hij heette Goliat, uit Gat. Hij was zes el en een span lang. Een koperen helm had hij op zijn hoofd, en hij was bekleed met een geschubd pantser; het gewicht van dit pantser was vijfduizend sheqel [sikkels] koper.” (a lavm> Sh’mu’el alef [1 Samuël] 17:4-5) en dezelfde tekst in de Groot Nieuws Bijbel: “Uit de rijen van de Filistijnen kwam een kampvechter naar voren, Goliat, afkomstig uit Gat. Hij was bijna drie meter lang. Hij had een bronzen helm op zijn hoofd en droeg een borstpantser van schubben dat ongeveer vijftig kilo woog.” Hoe het met hem afgelopen is weten wij allemaal. Dat hoeven wij hier dus nu niet op te zoeken. Het verslag van David en Goliat illustreert het persoonlijke hand tot hand gevecht van een zoon van Adam tegen een zoon van de vorst der duisternis. David behaalde uiteindelijk de overwinning omdat de Eeuwige met hem was en voor Israël streed. In (b lavm> Sh’mu’el bet [2 Samuël] 21:15-17a en 18 strijden de Israëlieten opnieuw tegen reuzen die in het leger van de Filistijnen meevochten. Ik citeer uit de Groot Nieuws Bijbel: “Eens bonden de Filistijnen weer de strijd aan met Israël. David rukte met zijn soldaten uit en legerde zich in Gov. Maar tijdens het gevecht met de Filistijnen raakte hij uitgeput. Nu was daar een afstammeling uit het reuzengeslacht van de Refaïeten. De man had een speer waarvan de bronzen punt drie kilo woog, en droeg een nieuw zwaard aan zijn riem. Hij dreigde David neer te slaan, maar Avishai, de zoon van Tzeruya, schoot David te hulp en sloeg de Filistijn dood! - Niet veel later kwam het in Gov weer tot een gevecht met de Filistijnen; Sib’chai uit Chusha velde Saf, een ander lid van het Refaïetengeslacht.” Iets verderop, in vers 20 t/m 22 lezen wij: “Hierna brak er nog een gevecht uit, nu in Gat; er was daar een man van ongewone lengte met aan elke hand zes vingers en aan elke voet zes tenen. Ook hij behoorde tot het Refaïetengeslacht! Hij daagde Israël uit, maar Y’honatan, de zoon van Davids broer Shima, sloeg hem neer. Deze vier mannen, leden van het geslacht van de Refaïeten uit Gat, zijn dus neergeveld door David en zijn adjudanten.” Maar ook in a ,ymyh yrbd Div’rei haYamim alef [1 Kronieken] 20:1-8 staat een uitgebreid verslag over de strijd van David en zijn soldaten tegen de Filistijnse reuzen. Ik citeer de verzen 1 tot en met vers 5 eveneens uit de Groot Nieuws Bijbel: “Hierna raakte men bij Gezer in gevecht met de Filistijnen; Sib’chai uit Chusha velde Sipai, een lid van het reuzengeslacht van de Refaïeten; dat moest zich toen onderwerpen. Toen men nogmaals met de Filistijnen slaags raakte, was het Elchanan, de zoon van Ya’ir, die zegevierde over Lach’mi. Lach’mi was de broer van Goliat uit Gat; hij had een lans waarvan de schacht leek op de boom van een weefgetouw.” Vooral dat laatste zegt tot wel iets over de enorme afmetingen van deze reus.

 

Zaad van de slang en zaad van de vrouw

 

Bij de bestudering van al deze Bijbelteksten over de reuzen komen we tot de conclusie dat zij echt wel hebben bestaan! De eerste reuzen kwamen we reeds in Genesis 6:4 tegen, dus vóór de zondvloed. Maar in hetzelfde vers lazen wij, dat zij er daarna ook weer zouden zijn. En inderdaad lazen wij in talrijke Schriftgedeelten, dat er ook na de zondvloed weer reuzen hebben bestaan tot aan de tijd van de koningen toe. De laatste reuzen werden door koning David en zijn leger uitgeroeid. Reeds in het eerste deel van deze Bijbelstudie werd het ons duidelijk, dat de Eeuwige deze bastaards en hun moeders beslist niet in leven kon laten omdat voor Hem de vermenging tussen de afvallige zonen G’ds en de dochters der mensen een gruwel was. Maar waarom eigenlijk? Wat zat daar meer achter? Het kon toch niet zo zijn dat het hierbij puur om seksueel genot ging, ook al stond erbij vermeld dat de dochters der mensen mooi waren? Dat klopt! Er schuilt inderdaad meer achter! Het was ook absoluut geen spontane actie van deze hemelwezens, maar van tevoren heel zorgvuldig door een kwaad brein bedacht en gepland! Achter dit hele scenario zat natuurlijk niemand anders dan de satan zelf! Maar wat was precies zijn doel? Voor het antwoord op deze vraag moeten we even terug naar de Parasha B’reshit. In (ty>arb B’reshit [Genesis] 3:1-7 krijgen we de zondeval van Adam en Chava [Eva]. De reactie van de Eeuwige hierop lezen wij dan iets verderop in de verzen 14 en 15: “Daarop zeide Adonai Elohim tot de slang: Omdat gij dit gedaan hebt, zijt gij vervloekt onder al het vee en onder al het gedierte des velds; op uw buik zult gij gaan en stof zult gij eten, zolang gij leeft. En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen!” Vanaf dat moment wist de satan dat uit het zaad van de vrouw zijn Tegenstander zou opstaan, die volgens deze profetie uiteindelijk satans kop zal vermorzelen, ook al zal hij zich fel daartegen verzetten. Om dit te voorkomen wilde de satan ervoor zorgen, dat het zaad van de vrouw vermengd zou worden met zijn zaad, zodat er geen sprake meer kon zijn van het zaad van de vrouw en dus dat er dientengevolge ook nooit sprake kon zijn van het vermorzelen van zijn hoofd! Daarom hebben afvallige zonen G’ds, die de kant van de satan hadden gekozen, zich op diens bevel bewust vermengd met de dochters der mensen, en zo ontstonden de reuzen. Als de Eeuwige derhalve een basis wilde verschaffen om de mensheid te laten voortbestaan, dan kon Hij geen besmet menselijk nageslacht toestaan dat niet van Adam afkomstig was, en was het voor Hem nodig om de zondvloed over de aarde te brengen. Het is verbijsterend om te zien hoe de satan al vanaf het begin getracht heeft om G’ds heilsplannen te dwarsbomen, want wat zou anders het dieper liggende motief van deze ontrouwe zonen G’ds geweest zijn, dan een poging om het menselijk ras dermate genetisch te manipuleren dat de komst van de Mashiach Yeshua in het vlees hierdoor onmogelijk zou worden? Yeshua zou nooit geboren kunnen worden uit een demonisch gedrocht, maar het is ronduit geweldig om te zien hoe de Eeuwige in Zijn wijsheid steeds weer alles in de goede banen weet te leiden. Tegen alle menselijke verwachtingen in konden de sterke machten die tegen Israël streden, het niet verslaan en vernietigen. In cvmi Amos [Amos] 2:9 staat dat de reuzen zo hoog als de ceders waren en zo sterk als de eiken. En toch waren de Israëlieten in staat om deze reuzen te verslaan, want de Eeuwige was met hen en had hen de overwinning belooft. Daarom zegt Hij tegen de kinderen van Israël: “Al waren die groot als ceders en sterk als eiken, Ik heb hen met wortel en tak uitgeroeid!” (Groot Nieuws Bijbel). De G’d van Israël is een G’d die wonderen doet, ook in uw in mijn leven. Als wij volledig op Hem vertrouwen en ons geheel aan Hem overgeven, dan kunnen ook wij al die ‘reuzen’ verslaan, die wij in ons leven tegenkomen, “want Hij die in u is, is machtiger dan hij die in de wereld heerst!” (]nxvy Yochanan [1 Johannes] 4:4).  Amen!

 

Werner Stauder