097.
Bijbelstudie over
DE ZONEN G’DS EN DE REUZEN
B’NEI HA’ELOHIM V’HANEFILIM
,ylpnhv ,yhvlah9ynb
Deel 2: De reuzen
De
vorige keer hadden we het over een bijzonder merkwaardige tekst die wij aan het
einde van de Parasha ty>arb B’reshit tegenkomen: “Toen de mensen zich op de
aarde begonnen te vermenigvuldigen en hun dochters geboren werden, zagen de
zonen G’ds, dat de dochters der mensen schoon waren, en zij namen zich daaruit
vrouwen, wie zij maar verkozen. En de Eeuwige zeide: Mijn Geest zal niet altoos
in de mens blijven, nu zij zich misgaan hebben; hij is vlees; zijn dagen zullen
honderd twintig jaar zijn. De reuzen waren in die dagen op de aarde, en ook
daarna, toen de zonen G’ds tot de dochters der mensen kwamen, en zij hun
(kinderen) baarden; dit zijn de geweldigen uit de voortijd, mannen van naam.
Toen de Eeuwige zag, dat de boosheid des mensen groot was op de aarde en al wat
de overleggingen van zijn hart voortbrachten te allen tijde slechts boos was,
berouwde het de Eeuwige, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het
smartte Hem in zijn hart. En de Eeuwige zeide: Ik zal de mensen, die Ik
geschapen heb, van de aardbodem uitroeien, de mensen zowel als het vee en het
kruipend gedierte en het gevogelte des hemels, want het berouwt Mij, dat Ik hen
gemaakt heb. Maar Noach vond genade in de ogen van
de Eeuwige.” (ty>arb B’reshit [Genesis]
6:1-8). Deze acht verzen van Genesis 6 riepen de
vorige keer bij ons allen veel vragen op. In de loop van de afgelopen tweeduizend jaar is dit
tekstgedeelte al op veel verschillende wijzen uitgelegd. Voor iedere uitleg
zijn argumenten voor en tegen te bedenken. Vanaf
vers 9 begint de Parasha xvn Noach, waarin de zondvloed
uitvoerig wordt beschreven. De aanleiding hiervoor vinden wij in vers 5, want
door de invloed van de afvallige zonen G’ds en de wezens die zij voortbrachten,
de Nefilim, was de slechtheid van de
mensen op de aarde en hun g’ddeloosheid dermate toegenomen, en de begeerte van
hun hart ging zo naar het kwade uit dat de
Eeuwige om dié reden besloot dat er een zondvloed moest komen. Het Hebreeuwse
woord Nefilim
wordt in sommige Bijbelvertalingen onvertaald gelaten maar meestal weergegeven
als reuzen, giganten of titanen. Het verband tussen het huwelijk van de zonen G’ds met de dochters
van de mensen en de aanwezigheid van reuzen in vers 4 komt vooral in de Willibrordvertaling duidelijk
naar voren: “In die dagen, en ook nog daarna, leefden er reuzen op de aarde,
doordat de zonen van G’d gemeenschap hadden gehad met de dochters van de mensen
en zij hun zonen hadden gebaard. Zij waren de befaamde geweldenaars van de oude
tijd!” en in de Groot Nieuws Bijbel: “Er leefden toen en ook later nog
reuzen op aarde. Het waren de kinderen die de godenzonen bij de dochters van de
mensen gekregen hadden. Zij staan als de beroemde helden van de oudheid
bekend.” De reuzen kwamen dus uit deze
verboden verbintenis voort, maar hoe komt het dat zij reuzen waren en geen
gewone mensen? Wat was er eigenlijk mis met de huwelijken tussen de zonen G’ds
en de dochters der mensen? Wat was hun zonde precies? En kunnen we van daaruit
iets zeggen over hun identiteit? Op de identiteit van de zonen G’ds ben ik al
in het eerste deel van deze studie uitvoerig ingegaan en wij kwamen tot de
conclusie dat de B’nei haElohim geen mensen waren, maar bovennatuurlijke hemelwezens, maar
in dit tweede deel zullen we het hebben over de identiteit van de Nefilim.
De ,ylpn Nefilim
[Reuzen]
Tegenstanders van het standpunt
dat de B’nei haElohim [zonen G’ds], en dus ook de Nefilim, van bovennatuurlijke afkomst zijn,
wijzen deze theorie af omdat zij volgens hen haar oorsprong zou vinden in de
occulte wereld van de Babylonische, Griekse en Romeinse mythologie en mystieke
Joodse geschriften. Zij gaan er van uit dat de zonen G’ds gewone rechtvaardige,
g’dvrezende mannen van vlees en bloed geweest zouden zijn die door hun
huwelijken met de g’ddeloze vrouwen van G’d afvallig waren geworden. Van reuzen
zou er volgens hen helemaal geen sprake zijn. Sterker nog! Omdat het Hebreeuwse
woord ,ylpn
Nefilim niet alleen ‘reuzen’ maar ook ‘gevallenen’ kan betekenen, van het
werkwoord lpn nafal [vallen],
betrekken de voorstanders van deze visie dit woord helemaal niet op de reuzen,
maar op de afvallige zonen G’ds, en ontkennen daarmee het bestaan van twee
aparte groepen. De Nefilim waren volgens hen derhalve niet de
kinderen die uit de verboden huwelijken voortkwamen, maar de afvallige zonen
G’ds zelf, en geen hemelse wezens maar gewone mensen. Dat deze bewering nergens
op slaat en geen hout snijdt zal al gauw blijken als wij de Joodse manier van
Schriftonderzoek hanteren door teksten met teksten te vergelijken. Weet u, het is heel belangrijk om voor een Beit Midrash zoveel
mogelijk relevante Schriftplaatsen op te zoeken en te bestuderen als je wilt
weten wat de Eeuwige over dit soort dingen te zeggen heeft. Zo staan er in de apocriefe
ofwel deuterokanonieke Bijbelboeken een aantal teksten die rechtstreeks naar
Genesis 6 verwijzen en waaruit blijkt dat de Nefilim, de
befaamde geweldenaars uit de voortijd, in het Hebreeuws ,yrvbg Giborim genaamd,
daadwerkelijk reuzen waren: “Israël, hoe groot is het domein van uw G’d, hoe
uitgestrekt het gebied van Zijn macht! Groot is het en zonder einde, hoog is
het en onmetelijk. Daar werden de reuzen geboren, die befaamde mannen uit de
voortijd, groot van gestalte, bedreven in de strijd. Maar hen heeft G’d niet
uitgekozen, de weg naar kennis werd hun niet gewezen. Zij gingen allemaal dood
door een tekort aan inzicht en verstand.” (!vrb Baruch 3:24-28, Willibrordvertaling) en: “Israël, hoe
groot is G’ds woning, hoe uitgestrekt het gebied waarover G’d heerst: groot en
oneindig, groots en onmeetbaar! Daar zijn ooit de giganten geboren, de befaamde
helden uit het verre verleden, groot van gestalte, bedreven in de strijd. Maar
hen heeft G’d niet uitgekozen, aan hen heeft Hij de weg naar de kennis niet
onthuld. Door gebrek aan inzicht gingen zij ten onder, hun dwaze gedrag bracht
hen ten val.” (Nieuwe Bijbelvertaling). “Hij was de reuzen van de oude
tijd niet genadig, toen zij met heel hun macht opstandig werden.” (aryc tmkvx Choch’mat Sira [Wijsheid van Sirach] 16:7, Willibrord-vertaling) en: “Hij
vergaf de giganten uit de voortijd niet, die zich, machtig als ze waren, van
Hem hadden afgewend.” (Nieuwe Bijbelvertaling). “Ook in de oude tijd al,
toen de trotse reuzen omkwamen, zocht de hoop van de wereld haar toevlucht op
een vlot en liet, door Uw hand bestuurd, aan de wereld de kiem na van een
nageslacht.” (hml> tmkvx Choch’mat Sh’lomo [Wijsheid van Salomo] 14:6, Willibrordvertaling) en tenslotte: “Zo
is in het begin, terwijl de overmoedige giganten ten onder gingen, de hoop voor
de wereld op een vlot ontkomen en heeft hij, door Uw hand geleid, nieuw leven
voor de toekomst veiliggesteld.” (Nieuwe Bijbelvertaling). Wij lezen hier
dat de reuzen allen omkwamen, terwijl de hoop voor de wereld zijn toevlucht op
een vlot zocht en daarop ontkomen is, waarmee de ark bedoeld moet zijn. In
Genesis 6:9 staat: “Noach was een
rechtschapen man; hij was in zijn tijd de enige die een voorbeeldig leven
leidde, in nauwe verbondenheid met G’d.” Hieruit
kunnen wij constateren dat Noach en de zijnen genetisch 'onbesmet' waren, niet bevuild met
de genetische manipulatie door de vermenging van de zonen G’ds met de dochters
der mensen en daarom kon de Eeuwige met Noach en zijn gezin de aarde opnieuw bevolken. In elk geval vonden
wij in het eerste deel van deze studie voldoende aanwijzingen om tot de
conclusie te komen dat het in B’reshit [Genesis]
6:1-8 over bovennatuurlijke wezens gaat, die op grote
schaal vrouwen uit de dochters der mensen namen en daarmee grenzen overschreden
hadden die de Eeuwige gesteld had. Zij dachten waarschijnlijk dat er uit deze
onnatuurlijke verbintenissen een soort halfgoden zouden voortkomen, maar zij
kwamen daarbij bedrogen uit. In plaats van een superras was het resultaat van
deze huwelijken de geboorte van reuzen. Dat was nooit G’ds bedoeling geweest en
daarom kunnen alleen deze perverse verbintenissen van niet-menselijke
hemelwezens met menselijke vrouwen een dergelijk zwaar oordeel als de
allesvernietigende zondvloed verklaren en rechtvaardigen. De Nefilim worden echter opnieuw genoemd in Numeri 13:33, en sommigen
zullen zich afvragen hoe dat kan als ze allen omgekomen zouden zijn in de
vloed. Genesis 6:4 zegt echter: “In die dagen, en ook nog daarna, leefden er reuzen op de
aarde, doordat de zonen van G’d gemeenschap hadden gehad met de dochters van de
mensen en zij hun zonen hadden gebaard.” (Tanach in de
nieuwe vertaling). De Bijbel vertelt dat er
zowel vóór als ná de zondvloed, reuzen op aarde waren. De
aanduiding “...en ook daarna” verwijst volgens de meeste Bijbelgeleerden naar de tijd
van na de zondvloed, wat vooral in de Groot Nieuws Bijbel bijzonder duidelijk
naar voren komt: “Er
leefden toen en ook later nog reuzen op aarde!” Dat was dus een tweede
manifestatie van de afvallige zonen G’ds, maar nu klaarblijkelijk kleiner in
aantal en meer plaatselijk omdat ze grotendeels tot Kanaän beperkt waren, en
feitelijk tot de 'volken van Kanaän' gerekend moeten worden. Volgens sommige
Bijbelverklaringen komt dat omdat de B’nei
Elohim, die immers geestelijke wezens waren en
dus niet gehinderd werden door de zondvloed die wel hun aardse nakomelingen
vernietigde, na de vloed hun oneerbare praktijken weer oppakten en opnieuw
reusachtige bastaards bij menselijke vrouwen verwekten. G’ds’s belofte nooit
meer een watervloed over de aarde te brengen had volgens deze uitleg namelijk
de Satan
gemotiveerd om opnieuw afvallige zonen G’ds naar de aarde te sturen en
gemeenschap te hebben met de dochters der mensen. Uit deze gemeenschap kwamen
net als vóór de zondvloed opnieuw reuzen voort, die in vers 4 in het Hebreeuws
‘Nefilim’
genoemd worden. Deze werden vervolgens door Satan in verschillende stammen verspreid door het hele beloofde
land om op deze wijze te voorkomen dat de Israëlieten dit later in bezit zouden
nemen, en als gevolg daarvan eveneens te voorkomen dat de Mashiach [Verlosser]
daar geboren zou worden. Het land dat de Eeuwige aan Avraham [Abraham], Yitz’chaq [Isaak] en Ya’aqov [Jakob] beloofd
had, wemelde van de reuzen. Toen de Israëlieten uiteindelijk na hun uittocht
uit Egypte het beloofde land verkenden kwamen ze tot hun schrik deze reuzen
tegen! Geheel onder de indruk van wat zij daar hebben meegemaakt vertelden de
twaalf verspieders die uitgezonden werden om het land Kanaän te verspieden, na
hun terugkomst wat zij gezien hadden. Ik citeer uit de Tanach in de
nieuwe vertaling: “Het land dat wij
op onze verkenningstocht doorkruist hebben, zeiden ze, verslindt zijn inwoners,
en alle mensen die we er gezien hebben waren uitzonderlijk lang. We hebben daar
zelfs reuzen gezien, de Anaqim [Enakieten]. Vergeleken bij dat volk van reuzen voelden
wij ons maar nietige sprinkhanen, en veel meer zullen we in hun ogen ook niet
geweest zijn!” (rbdmb B’mid’bar [Numeri] 13:32-33). In de bekende NBG-vertaling staat het als volgt: “Het land dat wij zijn doorgetrokken om het
te verspieden, is een land dat zijn inwoners verslindt, en alle mensen die wij
daar zagen, waren mannen van grote lengte. Ook zagen wij daar de reuzen, Anaqim [Enakieten], die tot de reuzen behoren, en wij waren als
sprinkhanen in onze eigen ogen en ook in hun ogen!”
De ,yqni Anaqim [Enakieten]
Uit vers 32 kunnen wij opmaken dat er door de verspieders
nadrukkelijk op gewezen wordt dat de inwoners van Kanaän een buitengewoon grote
gestalte hadden en in vers 33 gebruiken zij zelfs tot twee keer aan toe het
woord ‘reuzen’. In de Hebreeuwse grondtekst staat hier hetzelfde woord, dat ook
in Genesis 6:4 wordt gebruikt: ,ylpn
Nefilim! Dat is niet zo vreemd, want ook in de hedendaagse woordenboeken
modern Ivrit staat het woord ,ylpn Nefilim voor ‘reuzen’. ,ylpn Nefilim is het Hebreeuwse meervoud van lypn Nafil. Hebreeuwse uitgangen met ‘-im‘ zijn mannelijke meervoudvormen. Dat
wil dus zeggen dat de reuzen in de Tora altijd van mannelijk geslacht waren en er dus geen sprake
kan zijn van reuzinnen. De reuzen werden derhalve altijd als normale baby’s
geboren uit normale vrouwen en begonnen daarna pas uit te groeien tot
uitzonderlijke lengtes. Het is overigens heel opmerkelijk, dat
ook het Hebreeuwse woord voor ‘misgeboorte, mislukking’, lpn nefel,
dezelfde woordstam bezit, waaruit wij des te meer kunnen afleiden, dat de Nefilim die
in Genesis 6:4 genoemd worden beslist geen normale mensen geweest kunnen zijn
zoals door sommigen wordt beweerd. Daarom
geven zowel de Griekse vertaling, de Septuaginta, alsook de Latijnse vertaling, de Vulgata, het woord ‘Nefilim’ in deze tekst weer
met ‘giganten’ ofwel ‘reuzen’, en ook in de meeste hedendaagse Joodse en
christelijke vertalingen staat het op deze wijze vertaald. Numeri 13:33 kunnen
wij zien als een sleuteltekst die een schat aan informatie aanreikt over de
identiteit en het doel van de reuzen. In deze tekst wordt het woord Nefilim namelijk toegepast op de Anaqim, de Enakieten. In het Hebreeuws staat er letterlijk qni ynb b’nei Anaq [de zonen van Enak]:
,ylpnh9]m qni ynb ,ylylpnh9ta vnyar ,>v
.,hynyib vnyyh ]kv ,ybgxk vnynyib yhnv
V’sham ra'inu et haNefilim
b’nei Anaq min haNefilim
van’hi v'eineinu
kachagavim v’chen hayinu b'eineihem.
De Anaqim [Enakieten] worden hier qni ynb b’nei Anaq [de zonen van Enak] genoemd. Maar wie was deze Anaq [Enak]?
Volgens i>vhy Yehoshua [Jozua] 21:11 was Anaq [Enak]
de zoon van Ar’ba [Arba], want daar lezen wij: “Ar’ba
[Arba] was de vader van Anaq [Enak]; Qir’yat
Ar’ba [Kirjat-Arba] is het
huidige Chev’ron
[Hebron].” In hoofdstuk 15 vers 13 staat dit
eveneens: “Yehoshua [Jozua] wees, zoals de Eeuwige hem had opgedragen, een
deel van Yehuda’s
[Juda’s] grondgebied toe aan Kalev [Kaleb], de zoon van Yefune [Jefunne]: hij kreeg Chev’ron [Hebron], dat toen nog Qir’yat
Ar’ba [Kirjat-Arba] heette, naar Ar’ba [Arba], de vader van Anaq [Enak].” De oorspronkelijke naam van de stad Hebron was dus
gebaseerd op de naam van Ar’ba [Arba], en nu, duizenden jaren later, is er een Israëlische
nederzetting ten oosten van Hebron, en dicht bij deze stad gelegen, met de oude
naam ibra
tyyrq Qir’yat Ar’ba. Deze Ar’ba [Arba] was
niet alleen de stamvader van de reuzen, maar zelfs de
grootste van allemaal, zoals in i>vhy Yehoshua [Jozua] 14:15 staat vermeld: “Chev’ron [Hebron] heette destijds Qir’yat
Ar’ba [Kirjat-Arba], naar Ar’ba [Arba], de grootste
reus onder de Anaqim [Enakieten].” Eigenlijk
staat hier letterlijk: “de grootste reus onder de reuzen”, want het Hebreeuwse
woord ,yqni Anaqim betekent namelijk ‘reuzen’. Dat is het mannelijke meervoud
van qni Anaq [reus]. U zult nu wel denken: waar heeft hij het over? Het
Hebreeuwse woord voor ‘reuzen’ is toch ,ylpn Nefilim? Dat klopt inderdaad, maar in de Bijbel komen we de reuzen onder diverse benamingen
tegen. Het woord Nefilim heb ik echter slechts
op twee Schriftplaatsen gevonden, namelijk Genesis 6:4 en Numeri 13:33. Na Numeri
13:33 komen wij het woord Nefilim
in de Bijbel nergens meer tegen. De reuzen die we vanaf dan tegenkomen zijn de ,yqni Anaqim [Enakieten], de ,ymya Emim [Emieten], de ,yapr Refa’im [Refaïeten], de ,ymzmz Zamzumim [Zamzumiten] en
andere volkeren. Allen deelden de kenmerken van reusachtig en sterk te zijn. Wij
zullen deze reuzenvolkeren even nader onder de loep nemen, om te beginnen met
de Anaqim
[Enakieten], waar we al mee bezig waren. Wat weten wij over deze Anaqim? Laten we weer een
opsomming maken van de teksten waarin zij ter sprake komen: “Ze trokken door
de Negev
en kwamen daarna in de buurt van Chev’ron [Hebron], waar de Anaqim [Enakieten] Achiman, Sheshai en Talmai woonden.” (rbdmb B’mid’bar [Numeri] 13:22). “Wij zijn in het land
geweest waar u ons naartoe hebt gestuurd, vertelden ze aan Moshe [Mozes]. Werkelijk, het vloeit over van melk en
honing, en deze vruchten groeien er. Maar daar staat tegenover dat de bevolking
van dat land sterk is. De steden zijn versterkt en heel groot, en ook hebben we
er Anaqim
[Enakieten] gezien!” (rbdmb B’mid’bar [Numeri] 13:25-28). “Het land dat wij op onze verkenningstocht
doorkruist hebben, zeiden ze, verslindt zijn inwoners, en alle mensen die we er
gezien hebben waren uitzonderlijk lang. We hebben daar zelfs reuzen gezien, de Anaqim [Enakieten]. Vergeleken bij
dat volk van reuzen voelden wij ons maar nietige sprinkhanen, en veel meer
zullen we in hun ogen ook niet geweest zijn!” (rbdmb B’mid’bar [Numeri] 13:32-33). “Luister, Israël! U
staat op het punt de Jordaan over te steken om het land van die andere volken
binnen te gaan en het in bezit te nemen. Zij zijn groter en machtiger dan u en
hebben grote steden met hemelhoge versterkingen. Onder hen is ook het grote
volk van de Anaqim [Enakieten], de beruchte reuzen, tegen wie volgens de
verhalen niemand opgewassen is. Laat vandaag echter goed tot u doordringen dat
het de Eeuwige, uw G’d, is die u voorgaat als een verterend vuur. Hij zal hun
ondergang bewerken en hen op de knieën dwingen. Zo zult u hen in korte tijd
kunnen uitroeien, zoals de Eeuwige u heeft beloofd!” (,yrbd D’varim [Deutero-nomium]
9:1-3). “Yehoshua [Jozua] roeide in die tijd ook de Anaqim [Enakieten] uit die in de
bergen van Yehuda [Juda] woonden, in Chev’ron [Hebron], Devir [Debir] en Anav
[Anab], en in de bergen van Yis’ra‘el [Israël].
Hij doodde hen en liet hun steden aan de Eeuwige. Er bleven in het land van
Israël geen Anaqim [Enakieten] meer over, behalve in ‘Aza [Gaza], Gat en Ashdod [Asdod].” (i>vhy Yehoshua
[Jozua] 11:21-22). “Kaleb verdreef er de drie zonen van Anaq [Enak]: Sheshai, Achiman en Talmai!” (i>vhy Yehoshua
[Jozua] 15:14) en: “Chev’ron [Hebron] werd, overeenkomstig de woorden
van Moshe [Mozes], toegewezen aan Kalev [Kaleb], die
de drie zonen van Anaq [Enak] uit de stad verdreef.” (,ytp> Shof’tim [Richteren] 1:20).
De ,ymya Emim [Emieten]
De tweede groep reuzen die we in de Bijbel tegen komen,
zijn de ,ymya Emim [Emieten], die reeds in ty>arb B’reshit [Genesis] 14:5-6
genoemd worden: “In het veertiende jaar rukte Kedorla’omer op, samen met
de koningen die zijn bondgenoten waren, en zij versloegen de Refa’im [Refaïeten] in Ash’terot-Qar’nayim [Asterot-Karnaïm],
de Zuzim [Zuzieten]
in Ham, de Emim [Emieten] in Shave-Qir’yatayim [Sawe-Kirjataïm]
en de Chorim [Chorieten]
in het bergland waar zij woonden, het Seïrgebergte; ze rukten op tot aan El-Paran, aan de rand van
de woestijn.” Dat deze ,ymya Emim [Emieten] evenals de Anaqim [Enakieten] reuzen
waren, staat nadrukkelijk in ,yrbd D’varim [Deuteronomium] 2:10-11 te lezen: “Vroeger
woonden daar de Emim [Emieten], een groot en machtig volk van reuzen zoals
de Anaqim
[Enakieten]. Evenals de Anaqim [Enakieten] worden zij tot de Refa’im [Refaïeten] gerekend; in Moav [Moab] worden ze Emim [Emieten] genoemd.” Zowel de Anaqim [Enakieten] alsook de Emim [Emieten] worden in
deze tekst tot de Refa’im [Refaïeten] gerekend, en dat brengt ons meteen tot de derde
groep reuzen, die wij hier zullen onderzoeken.
De ,yapr Refa’im [Refaïeten]
Op de Golan Hoogten, ongeveer
De ,ymzmz Zamzumim [Zamzummieten]
De laatste benaming voor de reuzen, die wij in deze Bijbelstudie
willen behandelen is het woord ,ymzmz Zamzumim [Zamzummieten].
Eigenlijk is het geen apart reuzenvolk zoals de Anaqim [Enakieten] en de Emim [Emieten], maar slechts een andere naam voor de Refa’im [Refaïeten],
hetgeen in ,yrbd D’varim [Deuteronomium] 2:20-21 nadrukkelijk staat vermeld in verband met het
land dat de Eeuwige aan de zonen van Lot tot
een bezitting heeft gegeven nadat Adonai de daar woonachtige reuzen had
verdelgd. Wij lezen deze tekst in de nieuwe vertaling: “Ook dat wordt
beschouwd als land van de Refa’im [Refaïeten], die daar vroeger woonden; in Amon [Ammon] worden ze Zamzumim [Zamzummieten] genoemd. Het was
een groot en machtig volk van reuzen zoals de Anaqim [Enakieten], maar de Eeuwige heeft hen uitgeroeid,
zodat de Amonim
[Ammonnieten] zich meester konden maken van hun land en zich daar in hun plaats
konden vestigen.”
De Kanaänieten
In ,yrbd D’varim [Deuteronomium] 1:28 riepen de Israëlieten na
terugkeer van de verkenners nadat ze gehoord hadden wat zij daar allemaal zagen:
“Waar gaan we eigenlijk heen? De moed is ons in de schoenen gezonken toen onze verkenners
vertelden dat de mensen daar sterker en langer zijn dan wij, dat ze in grote
steden met hemelhoge versterkingen wonen en dat er zelfs reuzen leven!” (nieuwe vertaling). De
Kanaänieten waren dus grotendeels reuzen, bastaards die voortgekomen zijn uit
de verboden verbintenis tussen de afvallige B’nei
Elohim en de dochters der mensen en moesten
daarom uitgeroeid worden door de Israëlieten toen ze het beloofde land
binnentrokken. Bij monde van Moshe [Mozes] kregen ze daarvoor zelfs de uitdrukkelijke
opdracht van Adonai: “Maar in de steden van de volken die de Eeuwige uw G’d
u in eigendom geeft, mag u niemand in leven laten. U moet Chethieten,
Amorieten, Kanaänieten, Perizieten, Chiwieten en Jevusieten aan de vernietiging
wijden, zoals de Eeuwige uw G’d u bevolen heeft. Anders brengen zij u ertoe mee
te doen met al de gruwelen die zij voor hun goden hebben bedreven en te
zondigen tegen de Eeuwige uw G’d!" (,yrbd D’varim [Deuteronomium] 20:16). Met het oog op de komst van de Verlosser kon de Eeuwige
geen vermenging tussen de B’nei Elohim en de dochters der mensen toestaan waaruit deze
reusachtige bastaardvolken zijn ontstaan. Daarom zegt Hij in ,yrbd D’varim [Deuteronomium] 23:2 (in sommige vertalingen 3) nadrukkelijk: “Kinderen
uit verboden huwelijken zijn uitgesloten van g’dsdienstige bijeenkomsten. Ook
hun nakomelingen, zelfs die van het tiende geslacht, zijn uitgesloten!”
(Groot Nieuws Bijbel). Dit gebod geldt natuurlijk ook voor buitenechtelijke
relaties waaruit zogenaamde ‘mamzers’ voortkomen, maar op de eerste plaats
natuurlijk voor verboden relaties tussen hemelse wezens en mensen, waaruit
bovennatuurlijke gedrochten voortkomen. De Eeuwige
heeft een gruwel aan deze vermenging en heeft in de TeNaCH keer op keer Zijn
volk gebruikt om te strijden tegen deze bastaards. Wat naar voren komt en dat
is toch wel belangrijk: de strijd tegen deze reuzen was noodzakelijk in G’ds
Heilsplan. Want voor de komst van de Mashiach moesten al deze gedrochten uitgeroeid zijn, zodat Zijn
uitverkoren volk niet toch nog ergens bloedverwantschap zou hebben met een
afvallig hemelwezen. Om dit koste wat het kost te voorkomen was het voor de
Israëlieten noodzakelijk om de reuzenvolken met de kiem uit te roeien! U zult
zich waarschijnlijk net als ik wel eens afgevraagd hebben waarom er bij de
vernietiging van deze volken ook vrouwen en baby's inbegrepen waren. Wel, gezien
het feit dat er slechts mannelijke reuzen in de Bijbel voorkwamen moesten hun
moeders dus gewone menselijke vrouwen zijn en zodoende werden de reuzen ook
niet als reuzen geboren, maar als gewone baby’s, die pas op latere leeftijd
uitgroeiden tot gigantische afmetingen. De Israëlieten konden dus niet weten of
de Kanaänitische vrouwen zwanger waren van reuzen of niet en of de pas geboren
baby’s zich later tot reuzen zouden ontwikkelen of niet. Daarom mochten zij bij
de zuivering van het land geen enkel risico nemen. Israël schoot er echter in
tekort om alle reuzen te vernietigen, en we kunnen op geen enkele manier te
weten komen hoeveel van hen het hebben overleefd en naar andere delen van de
wereld zijn ontsnapt. Veel van de folklore uit de menselijke geschiedenis,
waarbij reuzen betrokken zijn, zou daardoor verklaard kunnen worden, want de
reuzen duiken op in de verhalen van alle oude volken op aarde. Wanneer we al
deze feiten in ogenschouw nemen dan krijgen sommige gruwelijke Bijbelse verhalen
voor ons een nieuwe betekenis. Het verbod voor de Israëlieten om zich door het
huwelijk te verbinden met de Kanaänitische volken, was daarom niet alleen om
Israël als G’ds volk genetisch zuiver te houden, maar ook om te voorkomen dat opnieuw
een vermenging zou plaats vinden met het nageslacht van de afvallige
godenzonen. Maar zoals bekend volbrachten de Israëlieten hun opdracht tot
uitroeien niet helemaal en gedoogden sommigen van deze volkeren met alle
gevolgen van dien.
Filistijnse reuzen
Daarom wordt er ook nog in latere tijden na de verovering
van Kanaän over reuzen verhaald. De Bijbel noemt vele overgeblevenen van de Refa’im [Refaïeten] die aan
de kant van de Filistijnen tegen Israël streden. De bekendste van allemaal is
natuurlijk de reus Goliat. Over hem lezen wij het volgende in de NBG-vertaling: “Toen trad een
kampvechter uit het leger der Filistijnen naar voren. Hij heette Goliat, uit Gat. Hij
was zes el en een span lang. Een koperen helm had hij op zijn hoofd, en hij was
bekleed met een geschubd pantser; het gewicht van dit pantser was vijfduizend sheqel [sikkels] koper.” (a lavm> Sh’mu’el
alef [1 Samuël] 17:4-5) en
dezelfde tekst in de Groot Nieuws Bijbel: “Uit
de rijen van de Filistijnen kwam een kampvechter naar voren, Goliat, afkomstig uit Gat.
Hij was bijna drie meter lang. Hij had een bronzen helm op zijn hoofd en droeg
een borstpantser van schubben dat ongeveer vijftig kilo woog.” Hoe het met
hem afgelopen is weten wij allemaal. Dat hoeven wij hier dus nu niet op te
zoeken. Het verslag van David en Goliat illustreert het
persoonlijke hand tot hand gevecht van een zoon van Adam tegen een zoon van de vorst
der duisternis. David behaalde uiteindelijk de overwinning omdat de Eeuwige met
hem was en voor Israël streed. In (b lavm> Sh’mu’el bet [2 Samuël] 21:15-17a
en 18 strijden de Israëlieten opnieuw tegen reuzen die in het leger van de
Filistijnen meevochten. Ik citeer uit de Groot Nieuws Bijbel: “Eens bonden
de Filistijnen weer de strijd aan met Israël. David rukte met zijn
soldaten uit en legerde zich in Gov. Maar tijdens het gevecht met de Filistijnen raakte hij
uitgeput. Nu was daar een afstammeling uit het reuzengeslacht van de Refaïeten.
De man had een speer waarvan de bronzen punt drie kilo woog, en droeg een nieuw
zwaard aan zijn riem. Hij dreigde David neer te slaan, maar Avishai, de zoon van Tzeruya, schoot David te hulp en sloeg de Filistijn dood! - Niet veel later kwam
het in Gov
weer tot een gevecht met de Filistijnen; Sib’chai uit Chusha velde Saf, een ander lid van het Refaïetengeslacht.” Iets verderop, in vers 20 t/m 22 lezen wij: “Hierna brak
er nog een gevecht uit, nu in Gat; er was daar een man van ongewone lengte met aan elke hand
zes vingers en aan elke voet zes tenen. Ook hij behoorde tot het
Refaïetengeslacht! Hij daagde Israël uit, maar Y’honatan, de zoon van Davids broer Shima, sloeg hem neer. Deze vier mannen, leden van het geslacht
van de Refaïeten uit Gat, zijn dus neergeveld door David en zijn adjudanten.” Maar
ook in a ,ymyh yrbd Div’rei haYamim alef [1 Kronieken] 20:1-8 staat een uitgebreid verslag over de
strijd van David
en zijn soldaten tegen de Filistijnse reuzen. Ik citeer de verzen 1 tot en met
vers 5 eveneens uit de Groot Nieuws Bijbel: “Hierna raakte men bij Gezer in gevecht met de
Filistijnen; Sib’chai uit Chusha velde Sipai, een lid van het reuzengeslacht van de Refaïeten; dat
moest zich toen onderwerpen. Toen men nogmaals met de Filistijnen slaags
raakte, was het Elchanan, de zoon van Ya’ir, die zegevierde over Lach’mi. Lach’mi was de broer van Goliat uit Gat; hij had een lans waarvan de schacht leek op de boom van
een weefgetouw.” Vooral dat laatste zegt
tot wel iets over de enorme afmetingen van deze reus.
Zaad van de slang en zaad van de vrouw
Bij de bestudering van al deze Bijbelteksten over de reuzen
komen we tot de conclusie dat zij echt wel hebben bestaan! De eerste reuzen kwamen
we reeds in Genesis 6:4 tegen, dus vóór de zondvloed. Maar in
hetzelfde vers lazen wij, dat zij er daarna ook weer zouden zijn. En inderdaad lazen
wij in talrijke Schriftgedeelten, dat er ook na de zondvloed weer reuzen hebben
bestaan tot aan de tijd van de koningen toe. De laatste reuzen werden door
koning David
en zijn leger uitgeroeid. Reeds in het eerste deel van deze Bijbelstudie werd
het ons duidelijk, dat de Eeuwige deze bastaards en hun moeders beslist niet in
leven kon laten omdat voor Hem de vermenging tussen de afvallige zonen G’ds en
de dochters der mensen een gruwel was. Maar waarom eigenlijk? Wat zat daar meer
achter? Het kon toch niet zo zijn dat het hierbij puur om seksueel genot ging,
ook al stond erbij vermeld dat de dochters der mensen mooi waren? Dat klopt! Er
schuilt inderdaad meer achter! Het was ook absoluut geen spontane actie van
deze hemelwezens, maar van tevoren heel zorgvuldig door een kwaad brein bedacht
en gepland! Achter dit hele scenario zat natuurlijk niemand anders dan de satan
zelf! Maar wat was precies zijn doel? Voor het antwoord op deze vraag moeten we
even terug naar de Parasha B’reshit. In (ty>arb B’reshit
[Genesis] 3:1-7 krijgen we de zondeval van Adam en Chava [Eva]. De reactie van
de Eeuwige hierop lezen wij dan iets verderop in de verzen 14 en 15: “Daarop
zeide Adonai Elohim tot de slang: Omdat gij dit gedaan hebt, zijt gij
vervloekt onder al het vee en onder al het gedierte des velds; op uw buik zult
gij gaan en stof zult gij eten, zolang gij leeft. En Ik zal vijandschap zetten
tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop
vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen!” Vanaf dat moment wist de satan dat uit het zaad van de vrouw zijn Tegenstander zou
opstaan, die volgens deze profetie uiteindelijk satans kop zal vermorzelen, ook al zal hij zich fel daartegen
verzetten. Om dit te voorkomen wilde de satan ervoor zorgen, dat het zaad van de vrouw vermengd zou worden
met zijn zaad, zodat er geen sprake meer kon zijn van het zaad van de vrouw en
dus dat er dientengevolge ook nooit sprake kon zijn van het vermorzelen van
zijn hoofd! Daarom hebben afvallige zonen G’ds, die de kant van de satan hadden gekozen, zich
op diens bevel bewust vermengd met de dochters der mensen, en zo ontstonden de
reuzen. Als de Eeuwige derhalve een basis wilde verschaffen om de mensheid te laten
voortbestaan, dan kon Hij geen besmet menselijk nageslacht toestaan dat niet
van Adam
afkomstig was, en was het voor Hem nodig om de zondvloed over de aarde te
brengen. Het is verbijsterend om te zien hoe de satan al vanaf het begin getracht heeft om G’ds heilsplannen te
dwarsbomen, want wat zou anders het dieper liggende motief van deze ontrouwe
zonen G’ds geweest zijn, dan een poging om het menselijk ras dermate genetisch
te manipuleren dat de komst van de Mashiach
Yeshua in het vlees hierdoor onmogelijk zou
worden? Yeshua
zou nooit geboren kunnen worden uit een demonisch gedrocht, maar het is ronduit
geweldig om te zien hoe de Eeuwige in Zijn wijsheid steeds weer alles in de
goede banen weet te leiden. Tegen alle menselijke verwachtingen in konden de
sterke machten die tegen Israël streden, het niet verslaan en vernietigen. In cvmi Amos [Amos] 2:9 staat dat de reuzen zo hoog
als de ceders waren en zo sterk als de eiken. En toch waren de Israëlieten in
staat om deze reuzen te verslaan, want de Eeuwige was met hen en had hen de
overwinning belooft. Daarom zegt Hij tegen de kinderen van Israël: “Al waren
die groot als ceders en sterk als eiken, Ik heb hen met wortel en tak
uitgeroeid!” (Groot Nieuws Bijbel). De G’d van Israël is een G’d die wonderen
doet, ook in uw in mijn leven. Als wij volledig op Hem vertrouwen en ons geheel
aan Hem overgeven, dan kunnen ook wij al die ‘reuzen’ verslaan, die wij in ons
leven tegenkomen, “want Hij die in u is, is machtiger dan hij die in de
wereld heerst!” (]nxvy Yochanan [1 Johannes] 4:4). Amen!
Werner Stauder